Concert zondag 14-04-2024 Bakermat Arnhem

Op het programma staan het vioolconcert in e-klein van Mendelssohn, de 1e symfonie van Gounod en de Tjechische suite van Dvorák.

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847) Vioolconcert e mineur

Zijn grote muzikale talent werd al vroeg in zijn jeugd opgemerkt.  Hij kreeg muziektheorielessen, (alt)viool- en pianoles. Op zijn tiende begon hij te componeren. Zijn (schatrijke) ouders kregen het advies toe te staan, dat de jonge Felix zich helemaal aan de muziek kon wijden. Hij werd o.a. dirigent van het Gewandhausorkest in Leipzig. Mendelssohns Vioolconcert opus 64 in e mineur uit 1844 wordt een pareltje onder de vioolconcerten genoemd. Het zou zijn laatste grote orkestwerk worden.

Vaak beweren critici dat Felix Mendelssohns instrumentale muziek te weinig diepgang kent. Het zou allemaal te luchtig klinken, te zonnig, te verfijnd. Dit soort beweringen hebben vaak betrekking op bovengenoemd Vioolconcert. Het toeval wil dat juist dit werk een van de meest gespeelde werken van Mendelssohn is! Sterker nog, Mendelssohns Vioolconcert behoort tegenwoordig samen met bijvoorbeeld die van Beethoven, Tsjaikovski, Brahms, Bruch en Sibelius, tot de top van de romantische vioolconcerten.

Zonder de gebruikelijke inleiding van het orkest, de expositie, zet de viool direct haar eerste magnifieke thema in. Een helder thema dat zich afspeelt in het hoge register. Vrijwel het gehele concert eist het instrument de aandacht op. Zeer opmerkelijk is dat de drie delen ononderbroken in elkaar overgaan. Aan de tempoverschillen en nieuw thematisch materiaal moet de luisteraar oordelen welk van de drie delen er op dat moment gespeeld wordt.

Charles François Gounod ) (1818-1893) Eerste symfonie e Mineur

Gounod was een Franse componist. Hij werd opgeleid als pianist en organist en won een aantal prestigieuze muziekprijzen. Zijn grote inspiratiebron was Mendelssohn. Tijdens zijn verblijf in Italië bestudeerde hij werken van oude meesters. Hij schreef in 1851 zijn twee symfonieën. De eerste kenmerkt zicht door een fris en delicaat karakter. Het werk bestaat uit 4 delen: allegro molto, allegretto, scherzo en een finale, welke adagio start, maar dan overgaat in een snel tempo.  

Antonin Dvořák  (1841-1904) Boheemse suite

Dvořák speelde al jong piano, orgel en viool en werkte vanaf zijn 18e jarenlang als altviolist in een klein orkest.  Hij begon als autodidact met componeren van eerst alleen strijkkwartetten, geleidelijk ook andere soorten muziek. Op voorspraak van J. Brahms met wie Dvořák later bevriend zou raken, kreeg hij een beurs, stopte als altviolist en ging meer componeren.