George Bizet (1838-1875)

Symfonie nr. 1 in C

De 17-jarige Bizet, student aan het Conservatorium van Parijs begon op 29 oktober 1855, in het kader van zijn studie, aan de symfonie en voltooide deze ongeveer een maand later. Bizet toonde geen duidelijke interesse om het werk te laten uitvoeren of publiceren. Het stuk werd tijdens zijn leven nooit gespeeld. Wel gebruikte hij in latere werken bepaald materiaal uit de symfonie. Pas in 1935 werd deze symfonie ontdekt in de bibliotheek van het conservatorium en kort daarna vond de eerste uitvoering plaats. De symfonie werd onmiddellijk geprezen als een jeugdig meesterwerk (vergelijkbaar met en ander jeugdwerk: de ouverture bij Een Midzomernachtdroom van Mendelssohn) en werd onderdeel van het standaard romantische repertoire. De invloed van Mozart en Rossini zijn duidelijk hoorbaar. De vorm is klassiek, maar heel fris en oorspronkelijk. Volgens Grove’s Dictionary onthult de symfonie “een buitengewoon geslaagd talent voor een 17-jarige student, in melodische uitvinding, thematische behandeling en orkestratie.”

Het werk bestaat uit 4 delen. (Allegro vivo, Adagio, Allegro Vivace (menuet en trio) en Allegro Vivace.

Bronnen: Larousse, Muzikale Ommegang G.v. Ravenzwaaij, Wikipedia

 

Antonin Dvorak (1841-1904)

Romance voor viool en orkest in f mineur

Dvořák baseerde het werk op het langzame deel van zijn Strijkkwartet nr. 5 in f mineur. Dit kwartet werd gecomponeerd in 1873 toen de componist nog niet algemeen bekend was; het was tijdens zijn leven niet uitgevoerd noch gepubliceerd.  Hij schreef eerst een versie van de Romance in f mineur voor viool met pianobegeleiding, die tijdens zijn leven niet werd gepubliceerd. De orkestversie echter wel, nl. in 1879. Het is eendelig, Andante con moto.  Een sierlijke melodie, uit het Strijkkwartet nr. 5, leidt tot een thema in een contrasterende toonsoort, van vergelijkbaar karakter, gevolgd door een onrustiger thema en uiteindelijk tot een episode van schrille akkoorden van het orkest; de oorspronkelijke kalme stemming en de thema’s keren terug; het werk eindigt in F majeur.

Bronnen: Larousse, Wikipedia

 

Gabriel Fauré (1845-1924)

Pelléas et Mélisande, suite voor orkest 

Maurice Maeterlinck was de auteur van een toneelstuk (première 1893) dat ging over de tragische geschiedenis van een driehoeksrelatie. Prins Golaud verdwaalt tijdens de jacht in het bos en treft daar het schuchtere meisje Mélisande aan. Haar kwetsbaarheid oefent een grote aantrekkingskracht uit op de prins. Nadat Golaud het meisje meegenomen heeft naar het kasteel, treft Mélisande Golauds halfbroer Pelléas aan. Tussen Pelléas en Mélisande bloeit spoedig een grote genegenheid en zielsverwantschap op. Golaud krijgt lucht van hun heimelijke ontmoetingen en doodt Pelléas. Mélisande sterft in het kraambed. Het toneelstuk werd in 1898 opnieuw opgevoerd, maar nu voor het eerst met de toneelmuziek (voor kamerorkest) van Fauré. Maeterlinck was daarbij aanwezig en vond het geweldig. Later stelde Fauré uit de toneelmuziek een orkestsuite opus 80 samen. De suite bestaat uit vier delen: 1. Prélude (somber gekleurd); 2. Andantino (La Fileuse oftewel: de spinster); levendig, dwarrelend); 3. Sicilienne; 4. Molto adagio (Mélisandes dood): berustend.

Bronnen: Muzikale Ommegang G.v. Ravenzwaaij, Wikipedia